DierenPlaza.nl
  • Toevoegen aan Favorieten
  • Home











  • De Strandkrab
    De strandkrab kan tegen lage zoutgehaltes en komt daarom ook in brakke wateren en riviermondingen veel voor.
    Hij kan een zoutconcentratie verdragen die maar 1/6 van de concentratie van het zeewater is.
    De Strandkrab 's Zomers hebben strandkrabben de neiging met het getij mee te trekken, hoewel ze soms achterblijven als het laag water wordt.
    Uit onderzoek is gebleken dat krabben een complex levensritme hebben, afhankelijk van het eb-en-vloed-ritme in combinatie met het dag-en-nacht-ritme.
    Deze beide ritmen worden geregeld door een soort fysiologische "klok" in het zenuwstelsel.
    Als een krab stil zit in een poeltje, kan men een voortdurende waterstroom zien vanuit het voorste deel van de krab, die door de kieuwkamers wordt gestuurd door peddels aan het derde paar monddelen.
    Het water gaat bij de krab naar binnen door openingen aan de basis van de poten.
    Er zijn negen paar kieuwen, die vastzitten aan de basis van de poten en enkele van de monddelen.
    De drie meest naar achteren gelegen monddelen dragen bovendien een soort kamachtige aanhangsels om de kieuwen schoon te houden.
    Op andere momenten, als de krab in een zuurstofarm poeltje zit, kan hij ook lucht innemen door de openingen aan de voorkant en dan komt er meer naar achteren een stroom belletjes naar buiten.


    Strandkrabben worden gegeten door bodemvissen, speciaal zeepaling, en kleinere exemplaren worden bovendien vaak door hun grotere soortgenoten verschalkt.
    Op het strand worden ze gegeten door meeuwen.
    In bepaalde tijden zijn ze veel door mensen gegeten.
    In 1895 werden veel krabben door de arme mensen rond de Adriatische zee gegeten.
    Tegelijkertijd werden ze bij de rijken geserveerd als een delicatesse.
    Een Strandkrab op zoek naar voedsel In het begin van de 19e eeuw werden grote hoeveelheden strandkrabben naar Londen gestuurd als voedsel voor de armen.
    In Nederland worden strandkrabben nauwelijks door mensen gegeten, maar in ander landen worden ze wel verzameld voor de kookpot.
    Strandkrabben hebben soms een parasiet, het krabbenzakje, dat als een kwabbetje onder het buikschild te zien is.
    Deze dieren zijn verwant aan de zeepokken.
    De krabben worden onvruchtbaar door het krabbenzakje.





    Het vrouwtje draagt de eieren onder haar achterlijf.
    Men kan het hele jaar door vrouwtjes met eieren vinden, ofschoon er vaak wel een "broedpiek" is die van plaats tot plaats kan variëren.
    De larven lijken totaal niet op de ouders.
    Ze hebben een goed ontwikkeld achterlijf, een lange stekel aan de voorkant tussen de ogen en een stekel die omhoog steekt van de rug.
    Deze larven die tot het plankton horen, heten zoëa-larven.
    De zoëa vervelt 6 keer en daarna vindt een metamorfose plaats waarbij al een soort echte krabjes ontstaan.
    Dit is het megalopa-stadium.
    De megalopa-larve zwemt met haar derde en vierde paar poten over haar rugschild gevouwen, maar zij kan ook lopen.
    Uiteindelijk verandert zij in een kleine krab die doorgaat met vervellen tot hij zo`n 7,5 cm groot is, als het tenminste een mannetje is.
    De vrouwtjes blijven wat kleiner.
    Als de krab 2 cm groot is vinden nog 10 à 11 vervellingen plaats, die elkaar in de warmere maanden met grote frequentie opvolgen.

    De paring vindt plaats nadat het vrouwtje verveld is.
    Tijdens het paren liggen de krabben met hun buikzijde tegen elkaar.
    Krabben groeien net als andere kreeftachtigen sprongsgewijs.
    Ze blijven steeds een tijd lang even groot en werpen dan schijnbaar onverwacht hun pantser af en groeien, waarna ze een nieuw pantser krijgen.
    De vervelling is echter meer dan een korte onderbreking van het normale leven.
    De veranderingen in het lichaam van de krab vinden tijdens zijn hele leven plaats.
    Het omhulsel van de krab bestaat zowel uit calciumcarbonaat als uit organisch materiaal.
    Enkele dagen voor de vervelling wordt een groot deel van de bestanddelen van het pantser door het lichaam van de krab geabsorbeerd en daarna wordt de rest die nu veel breekbaarder is, afgeworpen.
    Tegelijkertijd is er onder het oude pantser een nog zacht nieuw pantser gevormd.
    Als het moment avn de vervelling nadert, neemt de krab wel 70 % van zijn lichaamsgewicht aan water uit de omgeving op.
    Het lichaam zwelt op en barst uit het oude omhulsel langs speciale lijnen die extra breekbaar geworden zijn.
    Na de vervelling is het omhulsel de eerste tijd nog zacht, en de krab moet zich verborgen houden tot het verhard is.
    Dit kan verscheidene uren duren en in deze tijd gaat de krab niet uit het water.












    Contact - Disclaimer - Bookmark deze Site
    www.dierenplaza.nl 2005 - 2009 ©
    powered by ifws.nl